Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3189

Datum uitspraak2004-09-29
Datum gepubliceerd2004-10-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/119 ZFW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering een kleur/licht contrast detector aan betrokkene te verstrekken. Weigering berust op het standpunt dat de aangevraagde detector geen hulpmiddel is als bedoeld in de lijst van de op artikel 15, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondverzekering berustende Regeling hulpmiddelen.


Uitspraak

03/119 ZFW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Eindhoven, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft op daartoe bij beroepschrift, toegelicht bij brief van 19 februari 2003, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 november 2002, reg.nr. 02/1411 ZFW. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19 augustus 2004, waar partijen - wat gedaagde betreft met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Bij het bestreden besluit van 27 mei 2002 heeft gedaagde in bezwaar gehandhaafd de weigering een kleur/licht contrast detector aan appellant te verstrekken. Die weigering berust - samengevat - op het standpunt van gedaagde dat de aangevraagde detector geen hulpmiddel is als bedoeld in de lijst van de op artikel 15, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondverzekering berustende Regeling hulpmiddelen (hierna: de Regeling) en dat er voor gedaagde geen ruimte is om af te wijken van die regeling, aangezien in de toepasselijke voorschriften geen hardheidsclausule is opgenomen. In beroep heeft appellant aangevoerd - kort gezegd - dat de bij de Regeling behorende limitatieve lijst, onder meer wat betreft hulpmiddelen voor mensen die (bepaalde) kleuren niet kunnen onderscheiden, onvoldoende bij de tijd is en dat gedaagde in zijn geval een medisch onderzoek had moeten instellen. In reactie hierop heeft gedaagde bij schrijven van 20 september 2002 uiteengezet op welke wijze de Regeling door de daartoe bevoegde regelgever regelmatig wordt geactualiseerd en aangepast, zulks met inachtneming van de aanbevelingen van het College voor zorgverzekeringen en na overleg met de uitvoeringspraktijk (waaronder begrepen patientenorganisaties, voorschrijvers en koepelorganisaties uit de hulpmiddelen branche). Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer gewezen op de vaste jurisprudentie van de Raad, neergelegd in de uitspraken gepubliceerd in USZ 2000/174 en USZ 2001/13, inhoudende dat de aard van het in de Regeling neergelegde enumeratief en limitatief systeem zich in beginsel niet verdraagt met een extensieve uitleg van de daarin geregelde aanspraken op verstrekkingen (waaronder hulpmiddelen). De rechtbank heeft in verband hiermee overwogen dat er geen ruimte is voor een extensieve interpretatie van de in de Regeling - wel - opgenomen omschrijving van hulpmiddelen voor communicatie, informatievoorziening en signalering. Hetgeen door appellant is aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een andere slotsom gebracht. In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg betrokken stellingen herhaald. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die stellingen op goede gronden verworpen. Mede onder verwijzing naar zijn uitspraak (betreffende een zogeheten robotarm) van 29 januari 2002, gepubliceerd in onder meer RZA 2002 nr. 50, onderschrijft de Raad de overwegingen die de rechtbank tot de slotsom hebben gebracht dat het bestreden besluit in rechte standhoudt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2004. (get.) M.I. ’t Hooft. (get.) C.H.T.W. van Rooijen. EK2109